Wartaal?

Vandaag begon er iemand tegen me te praten. Ik verstond hem nauwelijks en wat ik wel verstond kwam onsamenhangend over.

Zeven miljoen jaar geleden is er iets in Australië begonnen en we komen er allemaal nog wel achter.
Hij vond het logisch dat ik ‘m niet verstond want hij spreekt alle talen van de wereld door elkaar.
Overal waar hij is geweest was oorlog. Hier in Nederland binnenkort ook, dat kan niet anders.
Alle oorlogen die hij heeft meegemaakt zijn de schuld van witte mannen. Sinds de witte mannen overal op de wereld zijn opgedoken is er oorlog overal waar ze kwamen. Of er kwam oorlog nadat ze waren vertrokken.
Alle witte mensen hier hebben geld. Veel geld, want alles is duur en iedereen heeft een huis en kan eten kopen. Waar hij geboren is hebben ze geen geld, maar wel te eten. Dat hoefden ze nooit te kopen, het was er gewoon. Maar daar hebben de witte mensen een eind aan gemaakt. Waarom krijgen alle witte mensen hier zomaar geld?
Oh ja, die haat aan Joden. Joden kwamen naar Afrika en er was niks aan de hand. Toen kwamen er ook moslims en die maken niet echt oorlog, die maken alleen maar mensen dood die niet zoals hun zijn. En de witte mannen gaan daar dan weer oorlog mee voeren.

Etc.

Een dakloze uitgeprocedeerde illegaal met psychische problemen, gok ik.

Een halve liter Coca Cola en een pakje sigaretten was niet genoeg. Hij wilde geld. Voor brood. Ik gaf ‘m 2 euro. Het was volgens hem niet genoeg. Brood was wel 10 euro zei hij. Ik gaf ‘m nog een euro en probeerde uit te leggen dat hij dan best een half brood en iets erop zou kunnen halen.

Aan z’n ogen zag ik dat hij liever een bolletje wit of bruin wilde. Die zijn in deze buurt inderdaad ongeveer een tientje.

Bij de scouting.

Halverwege de jaren tachtig (vorige eeuw, vorig millennium) leerde ik onderstaand liedje kennen. Eigenlijk alleen maar de tekst en melodie van nr. 3. We waren mannetjes wiens hormonen gierden als een gierpont op een hoog frequente tsunami.

Eigenlijk waren we nog jongens, maar wel jongens die niet beter wisten dan dat niet al onze vrienden op meisjes vielen. Dus we zongen dit weleens. Net zoals we schunnige heteromoppen tegen elkaar vertelden. Ofzoiets. Weet ik veel. Ieder zijn ding.

Wij hadden vroeger Ruud de Vries. Dat was die man die juwelier was, in het koor zong en verkering had met mannen. Hij is ook weleens Prins Carnaval van de Waoterjokers geweest. Ik had een oom die verkering nam met ome Roel en daar nu nog steeds bij is, ook al kwam hij weleens met modderige schoenen en kleding thuis na een bezoek aan een parkeerplaats waar wel meer mannen graag samen komen.

Wij hadden af en toe een jongen in ons midden waarvan we vrijwel zeker wisten dat die vast niet droomde over ejaculeren over borsten van welk formaat dan ook.

Kortom, allemaal dingen die we normaal begonnen te vinden , of al vonden, of iets later normaal begonnen te vinden.

Allemaal dingen die tegenwoordig in het gedrang lijken te komen. Ik heb wel een vermoeden waardoor, maar ik spreek het niet hardop uit.

Vandaag liep ik door een straat waardoor ik aan dit liedje moest denken. Het is al uit 1916 ofzo, (corpsballen herendispuutding) maar ik zing het nu hardop.

 

  1. Ik en mijn vriendje, wij zijn zo alleen
    Alle mooie jongens lopen om ons heen
    Wij worden niet geaccepteerd
    Wij zijn verkeerd geconjugeerd
    Want ik hou van mijn vriendje
    En mijn vriendje houdt van mij
  2. Ik en mijn vriendje, samen aan de meet
    Samen voor het venster, in onze blote reet
    Dan blijven de mensen wijzend staan
    Maar ach, daar wen je heus wel aan
    Want ik hou van mijn vriendje
    En mijn vriendje houdt van mij
  3. Ga je mee naar boven, ga je mee naar bed
    Onder de wollen dekens hebben we reuze pret
    Vader en moeder zijn niet thuis
    Die zijn allang in ’t gekkenhuis
    Want ik hou van mijn vriendje
    En mijn vriendje houdt van mij
  4. Ga je mee studeren, ga je mee naar ’t Corps
    Al die mooie jongens, daar voel ik wel wat voor
    Jan, Piet en Karel en ook nog Kees
    Oh wat een vlees, ja wat een vlees
    Want ik hou van mijn vriendje
    En mijn vriendje houdt van mij

Woensdagavondmail.

Mijn lief ging lopen
langs het kanaal.
Ik mocht mee en luisterde
naar zijn verhaal.

Waar gaat die boot heen
en waar komt hij vandaan?
Lief zag alles aan het vlaggetje
dat het schip voorop had staan.
Nu wil ik ook zo’n vlaggetje.
Zo duidelijk verklarend
waarom ik doe wat ik wil
lekker tegen de stroom opvarend.

Weekend!

Mijn weekend begon vrijdagochtend.

Ondanks de NS was ik ruim op tijd op kantoor en terwijl er allerlei dingen hun draaiende rondje of zandlopertjes deden, logde ik even in op facebook. Bericht van mijn neefje.

“Ome ries ik heb heel vervelend nieuws gehad. Maar het biljarten gaat dat vanavond nog door? Ik wil het wel.”

Geen idee wat hij bedoelde dus ik keek even verder. Binnen een minuut snapte ik het. Er was iets gebeurd. Iets heel ergs.

Omdat ik rond 10 uur constateerde dat ik geraakt was door dit nieuws en de chat met neefje niet kon los kon laten, liet ik mijn collega’s weten dat ik er niet helemaal bij was. En of ik vrij kon nemen om naar mijn familie te gaan. Uiteraard mocht ik dat van mijn collega’s.

In Nijmegen aangekomen trof ik mij neefje thuis aan. Helemaal alleen. Ik heb ‘m laten praten en praten en praten.

Het verhaal wat ik te horen kreeg is ongelofelijk. Wat een impact moet dat op die jongen hebben gehad. Maar goed. Ik moest nog eten en mijn spullen naar huis brengen. Dus dat heb ik gedaan. Daarna weer terug om hem op te halen voor het biljarten.

Ik heb een goeie band met mijn schoonzus, maar nooit eerder heeft ze 5 minuten huilend op mijn schouder in mijn armen gehangen. Mijn broertje is net als ik. Net doen of er niks aan de hand is en als er wel wat is dan zien we wel weer verder. Maar toch zag en voelde ik zijn verdriet.

Mijn broertje was op een feestje en verstond de naam verkeerd toen hij het te horen kreeg. Hij dacht dat het z’n zoon was. Mijn neefje vertelde me hoe aangedaan hij was toen hij de deur opendeed voor zijn aangestormde vader en hoe die neerging toen hij zag dat neefje de deur open deed.

Vandaag ging weer even langs. Ik belde aan maar er werd niet opengedaan. Omdat ik nodig moest plassen en omdat ik de sleutel heb, ben in naar binnen gegaan. Na het plassen zag ik mijn nichtje op de bank liggen. Ze sliep. Diep hard en mooi. Ze zal het wel nodig hebben gehad.

Wat een onbegrijpelijk stukkie moet dit voor jullie zijn.

Maar goed. Ik ga morgen weer werken, hopelijk kan ik later deze week een dag vrij krijgen.

Misschien wel deel 1 van een serie.

“Goedemiddag, bouwbedrijf Huppeldepup, met de telefoniste.”

“Goedemiddag, SD Worx, met Richard Heuveling. Ik bel voor meneer Huppeldepup.”

“Meneer Huppeldepup is de rest van de week niet meer aanwezig. Kan ik een boodschap aannemen of belt u volgende week zelf nog een keer?”

“Vreemd. Ik heb net een mail gehad van meneer Huppeldepup dus ik dacht dat hij er wel was. Werkt hij misschien thuis? Heeft u een direct nummer voor me?”

“Ehm” stotterdestotter “Meneer Huppeldepup is bezig met de loonverwerking en wil daarom niet gestoord worden.”

“Daarover bel ik dus. De loonverwerking. Ik denk dat je het toch even moet proberen. Anders wordt hij misschien echt wel gestoord. Hahahaha!”

“U wilt meneer Huppeldepup aan de lijn vanwege de loonverwerking?”

“Ja.”

“Onze loonverwerking?”

Hier komt een verbeterpunt voor mijn communicatieve vaardigheden. Ik viel bijna een seconde stil voordat ik antwoordde. Maar gelukkig wist ik wel het goeie antwoord.

“Ja, jullie loonverwerking.”

 

Verwarde man.

Op het perron van station Almere Muziekwijk kun je alleen maar komen als je een pasje hebt, over het poortje klimt of achter iemand aan glipt.

Ik zag ‘m al voor ik door het poortje ging. Blote voeten. Continu één hand nodig om z’n broek op te houden want hij had geen broekriem om aan te halen. “Somaliër”. Toen hij niet meer in de weg liep kon ik er eindelijk door met mijn pasje.

In de trein zag ik ‘m weer. Hij liep heen en weer en ging soms even naast iemand zitten. Omdat niemand dat leuk vond stond hij dan weer op om daarna weer verder te dwalen.

Toen hij voor de zoveelste keer langskwam wees ik naar hem. “Kom es hier zitten?” klopte ik met mijn andere hand op de zitplaats naast me.

Hij kwam naast me zitten. Ik kon ‘m niet verstaan en hij stonk.

Na een minuut of 10 kwam de conducteur en vroeg me of hij z’n broek op ongepaste wijze omlaag had laten zakken of anderszins exhibitionistisch bezig was geweest.

“Voor zover ik heb kunnen zien niet” antwoordde ik naar eer en geweten. “Nou, toen ‘ie naast mij zat was ‘ie echt geen Kalashnikov aan het doorladen hoor” zei een blonde dame met Amsterdamse tongval.

Op station Naarden-Bussum heeft de conducteur hem eruit gezet. Hij moest naar Weesp namelijk.

De leven is kut.

Er gaat iemand dood. Een oud klasgenoot, kroeggenoot en stadiongenoot. Een soort vriend. Zo’n vriend waarmee je als 17 jarige stoned op Oost voor zes gulden naar een potje voetbal ging staan kijken.

Nu is hij 43 en zo ziek dat hij botten breekt zodra je ‘m aanraakt. Vanavond gaat hij onder de facebookpost over z’n leven op “Vind ik niet meer leuk” klikken.

11855617_1650049711907374_8710001179552911557_n