Ik stond voor de inmiddels overbekende draaideur. De sensor had me gezien en hij begon te draaien. Ik bleef staan.
“Waar ben ik in hemelsnaam naar op weg? ” vroeg ik me af. En dat begon ik me dus voor te stellen. Ik wilde niet meer. En hoe koud de wind ook was daar op dat moment, ik wilde niet naar binnen.
De laatste echte communicatie die ik met Ed had sinds het gedoe, ging over Cola Light. Hij had zin in Cola en was zich bewust van z’n suiker toestand. Hoewel hij op dat moment wel kon slikken, kreeg hij alleen ingedikte vloeistoffen om verslikken (en dus longontsteking) te voorkomen.
We hadden de grootste lol, de verpleegsters en ik. Maar de cola werd ingedikt, ondanks al het gespetter en geschuim. En dat spul heb ik hem toen gevoerd met een wit plastic wegwerplepeltje.
Ik heb 3 bekers gedaan. Hij vond het lekker en wilde meer. Toen had ik nog het gevoel dat we communiceerden. Ik was optimistisch toen ik vertrok. Maar daarna kwamen Murphy en het noodlot om de hoek kijken.
Vanmorgen is zijn dochter op bezoek geweest, die durfde wel.
Ik stond daar. En ben omgedraaid. Ik wilde niet.
Och lief toch. Je bent er geweest en werkelijk voor hem geweest. En gelukkig zijn dochter ook. Je bent niet laf, dit zijn loodzware gebeurtenissen om mee te maken. Kan je alleen maar heel veel sterkte en liefde wensen. *Kus*